
Databekabeling doormeten en certificeren
Certificeren betekent dat elk vast traject van maximaal 90 meter op de meter gaat en per aansluiting een pass of fail krijgt op lengte, demping, overspraak en retourverlies, gemeten tot 250 MHz bij Cat6 en tot 500 MHz bij Cat6A. De grenswaarden komen uit ISO/IEC 11801 en NEN-EN 50173. Na afloop ligt er per poort een uitslag die je aan een huurder, een aannemer of een verzekeraar kunt laten zien.
Waarom een halve fout niet opvalt
Een aansluiting die net niet goed is gedraagt zich precies als een aansluiting die wel goed is. Bestanden komen aan, de telefoon werkt, de camera geeft beeld. Tot er iets bijkomt: een tweede beeldstroom, een zwaarder accesspoint, een back-up die ’s nachts doorloopt. Dan valt de poort terug naar een lagere snelheid of loopt hij vol met fouten die je alleen in de switch terugziet.
Bij het certificeren klikken we een meetkop op het patchpaneel en een tweede bij de wandcontactdoos. Het instrument stuurt over alle vier de aderparen signalen weg en meet wat er aan de andere kant overblijft, en wat er onderweg naar de verkeerde ader lekt. Dat kost ongeveer 10 seconden per punt. Je krijgt geen mening terug maar een reeks getallen, elk afgezet tegen de grenswaarde die bij de categorie hoort die er zou moeten liggen.
Nieuw werk, en werk dat er al ligt
Bij nieuwe aanleg is de meting het sluitstuk. Zolang de plafonds nog open zijn en de monteurs nog in het pand staan, kost het herstellen van een slechte aansluiting een half uur. Twee weken later, met een gestoffeerd kantoor erboven, ligt dat anders.
Bij bekabeling die er al jaren ligt is de meting vooral onderzoek. Je koopt een pand, je neemt een verdieping over, of je twijfelt aan werk dat een andere partij heeft achtergelaten. Vaak blijkt dan dat maar een deel van de punten echt slecht is en de rest gewoon door kan. Dat scheelt een hoop kabel die anders voor de zekerheid vervangen zou worden.

Wat de meter uitrekent, en wat het betekent
Lengte
Hoe lang het vaste traject werkelijk is, bepaald uit de looptijd van het signaal. Niet wat er op tekening staat, maar wat er ligt. Verschillen van tientallen meters met de verwachting zijn niet zeldzaam.
Doorverbinding en volgorde
Zit elke ader aan beide kanten op de goede pen. Hier vallen de klassiekers uit: een omgedraaid paar, een gesplitst paar, een onderbreking, twee aders die elkaar raken.
Demping
Hoeveel signaal er onderweg verdwijnt, uitgedrukt in decibel. Loopt op met de lengte en met de frequentie. Bij Cat6A wordt tot 500 MHz gemeten, en juist bovenin die band gaat een matig traject onderuit.
Overspraak dichtbij
Hoeveel een zendend aderpaar overlekt naar zijn buurpaar, gemeten aan de kant waar het signaal vertrekt. Dit is de waarde die verpest wordt door een connector die te ver is uitgedraaid.
Overspraak aan het verre eind
Dezelfde lekkage, maar gemeten aan het andere uiteinde en afgezet tegen wat daar nog aan nuttig signaal binnenkomt. Bepalend voor 10 Gbit/s, want daar praten alle vier de paren tegelijk in beide richtingen.
Retourverlies
Hoeveel signaal terugkaatst in plaats van door te lopen. Kaatst er te veel terug, dan is er onderweg iets veranderd: een knik, een ingeklemde kabel, een verkeerd type patchkabel.
Permanent link of channel: wat laat je meten?
Een permanent link is het vaste deel: van het patchpaneel in de kast tot de wandcontactdoos bij de werkplek, zonder de losse patchkabels aan beide uiteinden. Dat is het stuk dat je later niet vervangt zonder te breken, dus dat is het stuk dat je wil laten certificeren. De norm rekent voor een permanent link met maximaal 90 meter.
Een channel is de hele keten inclusief de patchkabel in de kast en de patchkabel op het bureau, samen maximaal 100 meter. Die meting zegt iets over wat de gebruiker vandaag ervaart, maar hij is minder hard: morgen ligt er een andere patchkabel en dan klopt het rapport niet meer. Wij certificeren daarom standaard op permanent link, en meten channel alleen als we een concrete klacht bij een werkplek willen naspelen.
Pass, fail, en de uitslag waar je op moet letten
Elke gemeten waarde wordt vergeleken met de grenswaarde. Blijft alles binnen de marge, dan geeft het instrument een pass. Zakt er iets doorheen, dan is het een fail en zie je meteen welke waarde het is en bij welk aderpaar.
Daartussen zit de uitslag die er in rapporten met een sterretje bij staat: marginaal. De waarde valt dan binnen de meetonzekerheid van het instrument zelf. Een marginale pass betekent dus niet “net goed genoeg”, het betekent dat de meter het verschil niet met zekerheid kan aangeven. Bij ons is dat geen resultaat om mee op te leveren. Aansluitingen die er marginaal doorheen komen leggen we opnieuw af of trekken we opnieuw, want een link die op de dag van oplevering al op de grens hangt heeft nul reserve voor stof, warmte en de tien jaar die eroverheen gaan.
Wil je precies weten hoe zo’n rapport eruitziet en welke kolommen erin staan, lees dan wat er in een meetrapport van netwerkbekabeling staat.
De 90-meterregel, en waarom wij er strak in zijn
De vuistregel op de werkvloer is kort: nooit een vaste kabel langer dan 90 meter. Die grens komt uit ISO/IEC 11801 en uit de Europese tegenhanger NEN-EN 50173, die uitgaan van een totale keten van 100 meter. Daarvan is 90 meter gereserveerd voor het vaste traject tussen kast en wandcontactdoos, en blijft er 10 meter over voor de twee patchkabels samen: het snoertje in de kast plus het snoertje van de wandcontactdoos naar het apparaat.
Die tien meter gaat sneller op dan je denkt. Twee meter in de kast, drie meter naar een bureau, en bij een camera hoog in een hal loopt er zo nog vijf meter mee omhoog. Wie het vaste deel op 95 meter legt, heeft dat budget al opgesoupeerd voordat de eerste patchkabel erin zit.
Waarom werkt een te lange kabel dan toch vaak gewoon? Omdat demping en overspraak geen schakelaar zijn maar een glijdende schaal. Op de dag van oplevering, met een koele kabel, een schone connector en een switch die net uit de doos komt, haalt zo’n link het net. Twee jaar later is er warmte bij gekomen doordat de bundel dichter is geworden, is er aan de wandcontactdoos gerommeld en hangt er PoE-apparatuur aan die de aders opwarmt. Dan gaat dezelfde link foutpakketten produceren en valt de poort terug van 1 Gbit/s naar 100 Mbit/s. Niemand legt de verbinding dan nog naast een verbouwing van twee jaar eerder.
Haal je een hoek van het pand niet binnen 90 meter, dan is dat geen reden om te rekken. Dan komt er een tweede verdeelpunt met een glasvezelverbinding ertussen. Dat is een beslissing die je aan het begin neemt, niet als de kabel al ligt.
Waar de grenswaarden vandaan komen
ISO/IEC 11801 is de internationale norm voor bekabelingssystemen in gebouwen, en NEN-EN 50173 is de Europese uitwerking daarvan die in Nederland wordt gehanteerd. Die twee leggen vast welke prestatie een bekabelingssysteem moet halen en hoe je dat aantoont: welke waarden je meet, tot welke frequentie je meet, en welke grenswaarde bij welke klasse hoort. De 250 MHz bij Cat6, de 500 MHz bij Cat6A en de 90 meter voor een permanent link staan daar allemaal in.
Naast de prestatie is er de aanleg, en daar gaat EN 50174 over: hoe je kabels legt en bundelt, hoe je ze scheidt van 230V, hoe je een traject afmonteert en hoe je het beheert en documenteert nadat het ligt. Het is de norm die je terugziet in de bundeldikte, de buigstraal en de labeling, en dus in een deel van de meetwaarden die je later uitleest.
Wij schrijven niet dat je hiertoe verplicht bent, want die eis komt zelden uit de wet. Hij komt meestal uit je eigen contract: een aanbesteding, een huurovereenkomst, de leveringsvoorwaarden van de fabrikant van het bekabelingssysteem, of een programma van eisen dat naar een klasse uit deze normen verwijst. Wat wel geldt is het omgekeerde: zonder norm erbij zegt een meetrapport niets. Een waarde in decibel is op zichzelf betekenisloos en krijgt pas betekenis als erbij staat tegen welke grenswaarde uit welke norm hij is afgezet. Daarom staat op onze rapporten altijd de gebruikte norm, de klasse en het meetinstrument.
Welke categorie haalt welke snelheid, en tot hoe ver
De categorie van de kabel bepaalt tot welke frequentie er gemeten wordt, en daarmee welke snelheid er overheen kan. De afstand hoort daar altijd bij, want dezelfde kabel haalt op 40 meter iets wat hij op 90 meter niet haalt.
| Categorie | Gemeten tot | Maximale snelheid | Haalbaar tot |
|---|---|---|---|
| Cat5e | 100 MHz | 1 Gbit/s | 100 m |
| Cat5e | 100 MHz | 2,5 Gbit/s | 100 m, mits de link schoon meet |
| Cat6 | 250 MHz | 1 Gbit/s | 100 m |
| Cat6 | 250 MHz | 10 Gbit/s | 37 tot 55 m, afhankelijk van de bundel |
| Cat6A | 500 MHz | 10 Gbit/s | 100 m |
| Cat7 en Cat7A | 600 tot 1000 MHz | 10 Gbit/s | 100 m, maar zonder eigen RJ45-norm |
| Cat8 | 2000 MHz | 25 tot 40 Gbit/s | 30 m, bedoeld voor binnen de serverruimte |
In de praktijk komt het hierop neer: voor een kantoorwerkplek volstaat Cat6 ruimschoots. Voor trajecten naar accesspoints, naar een tweede verdeelpunt of naar plekken waar je over tien jaar nog niet wil breken, leggen wij Cat6A. Het verschil in kabelprijs is klein vergeleken met de arbeid om dezelfde route nog een keer te trekken. De afweging staat verder uitgewerkt in Cat6 of Cat6A.
PoE: hoeveel stroom er doorheen kan
Dezelfde aders die data vervoeren leveren ook de voeding voor camera’s, accesspoints, deurcontrollers en telefoons. Hoeveel vermogen dat is, hangt af van de PoE-klasse die de switch en het apparaat samen onderhandelen. Er gaat onderweg altijd vermogen verloren in de kabel, dus wat er bij het apparaat aankomt is minder dan wat de switch levert.
| Standaard | Klasse | Bij de switch | Bij het apparaat | Typisch voor |
|---|---|---|---|---|
| 802.3af (PoE) | 0 tot 3 | 15,4 W | 12,95 W | Vaste camera, IP-telefoon |
| 802.3at (PoE+) | 4 | 30 W | 25,5 W | Accesspoint, camera met verwarming |
| 802.3bt type 3 | 5 | 45 W | 40 W | PTZ-camera, wifi 6E-accesspoint |
| 802.3bt type 3 | 6 | 60 W | 51 W | Deurcontroller met slot, scherm |
| 802.3bt type 4 | 7 | 75 W | 62 W | Informatiescherm, dunne werkplek |
| 802.3bt type 4 | 8 | 90 W | 71,3 W | PoE-verlichting, laadpunt voor apparatuur |
Bij het certificeren meten we ook de weerstand van de aders en de balans daartussen. Een link die keurig 1 Gbit/s haalt kan namelijk toch onbruikbaar zijn voor een zware PoE-klasse, bijvoorbeeld doordat er een ader net wat slechter is afgemonteerd. Dat blijkt dan pas als de camera in de winter zijn verwarming inschakelt en steeds opnieuw opstart.
Warmte in een dichte bundel
Hoe meer kabels er in dezelfde bundel of goot liggen en hoe zwaarder de PoE-belasting, hoe warmer het midden van die bundel wordt. Warmere aders dempen meer, en meer demping betekent minder marge. Bij bundels van meer dan een stuk of vierentwintig kabels met PoE type 3 of 4 erop houden wij daarom rekening met temperatuurverlies, verdelen we de bundels over meerdere goten en kiezen we voor de dikkere aderdoorsnede. Bij bestaande installaties is dit een van de dingen waar we tijdens de meting expliciet naar kijken. Meer daarover in het PoE-budget van je switch.
“Een pass is niet hetzelfde als goed. Ik kijk naar hoeveel marge er nog op staat, want die marge is alles wat je hebt voor de tien jaar die eroverheen gaat.”John van den Bosch, verantwoordelijk voor engineering en oplevering bij CS Installatie
Wanneer je dit laat doen
Bij de oplevering van nieuw werk. Elke aangelegde aansluiting doorgemeten, voordat de plafonds dicht gaan en voordat de laatste termijn wordt betaald. Herstel is op dat moment nog goedkoop.
Bij het overnemen van een pand of een verdieping. Je weet niet wat er ligt, hoe oud het is en wie eraan gezeten heeft. Een meetronde is meestal het goedkoopste onderzoek dat je kunt doen voordat je gaat inrichten. Zie ook een nieuw bedrijfspand inrichten.
Bij twijfel over werk van een andere partij. Meten geeft een uitslag waar geen discussie over is: per poort een waarde, per waarde een norm. Dat is een ander gesprek dan “het lijkt niet goed te werken”.
Voordat je het netwerk zwaarder gaat belasten. Meer camera’s, wifi 6 of 7, VoIP over dezelfde poorten, een kantoortuin die van 20 naar 60 werkplekken gaat. Meet eerst wat de bestaande bekabeling aankan, dan weet je wat je nog kunt hergebruiken en wat vervangen moet.
Waar de kosten vandaan komen
Het bedrag hangt vooral af van het aantal aansluitingen, want de meting zelf is per punt. Daarnaast telt mee hoe bereikbaar de wandcontactdozen zijn, of de patchkast te herleiden is of eerst uitgezocht moet worden, of er ’s avonds of in het weekend gewerkt moet worden omdat het pand door moet draaien, en of je alleen de meetdata wil of ook een advies over vervangen, repareren of hergebruiken. Certificeren van glasvezel is apart werk met een ander instrument en telt los mee.
Wat het kost. Certificeren begint bij € 299 excl. btw, inclusief het meetrapport. Daarboven telt vooral het aantal aansluitingen mee, want de meting gaat per punt. Na de inventarisatie weet je hoeveel punten het zijn en wat het wordt.
Na een korte inventarisatie weten we hoeveel punten het zijn en hoe lang het werk duurt. Daar volgt een gerichte opgave uit, zonder verrassingen achteraf.
Vragen over doormeten en certificeren
Wat is het verschil tussen doormeten en certificeren?
Doormeten kan met een eenvoudige tester die alleen kijkt of alle aders doorlopen en op de goede pen zitten. Certificeren gaat verder: het instrument meet demping, overspraak, retourverlies en lengte over het hele frequentiebereik en vergelijkt elke waarde met de norm voor die categorie. Alleen de tweede meting levert een uitslag op waar je later iets aan hebt.
Kunnen jullie bekabeling certificeren die iemand anders heeft aangelegd?
Ja, dat doen we regelmatig. Je krijgt per aansluiting de meetwaarden met een pass of fail, en bij elke fail wat de waarschijnlijke oorzaak is. Wat je met die uitslag richting de aanleggende partij doet is aan jou; wij leveren de metingen.
Hoe lang duurt het doormeten van een kantoor?
De meting zelf kost ongeveer 10 seconden per aansluiting, maar het verplaatsen tussen de punten kost de tijd. Voor een kantoor met vijftig tot honderd aansluitingen is het meestal een dag. Bij een handvol punten in één kast ben je met een dagdeel klaar.
Wat gebeurt er als een aansluiting niet door de meting komt?
Dan zie je meteen welke waarde faalt en op welk aderpaar. Vaak is het de afmontage aan een van beide kanten, en dan is het opnieuw afleggen en opnieuw meten een kwestie van minuten. Zit de fout in de kabel zelf, dan bepalen we eerst op welke afstand die zit voordat we besluiten of we repareren of opnieuw trekken.
Wat betekent een marginale pass, en is dat erg?
Een marginale pass betekent dat de gemeten waarde zo dicht bij de grens ligt dat hij binnen de meetonzekerheid van het instrument valt. De meter kan dan niet met zekerheid zeggen of het goed of fout is. Daarmee leveren wij niet op: zo’n link heeft geen reserve meer voor warmte, stof en veroudering, en is een kandidaat om over een paar jaar storing te geven.
Moet het pand plat voor een meetronde?
Nee. Aansluitingen worden een voor een uit het patchpaneel gehaald, gemeten en teruggezet, dus alleen die ene werkplek is even offline. We werken meestal per blok en stemmen af welke ruimtes wanneer aan de beurt zijn. Waar dat niet uitkomt, doen we het buiten kantoortijd.
Waarom mag een vaste kabel niet langer zijn dan 90 meter?
De norm rekent met een totale keten van 100 meter. Daarvan is 90 meter voor het vaste traject tussen patchkast en wandcontactdoos, en de resterende 10 meter is voor de twee patchkabels samen. Ga je over die 90 meter heen, dan neem je het budget van de patchkabels op en verlies je de marge die nodig is als de kabel warmer wordt of veroudert.
Is Cat6 nog goed genoeg, of moet alles Cat6A worden?
Voor een gewone kantoorwerkplek op 1 Gbit/s voldoet Cat6 tot 100 meter. Wil je 10 Gbit/s over dezelfde kabel, dan haalt Cat6 dat maar tot ergens tussen de 37 en 55 meter, afhankelijk van hoe dicht de bundel ligt. Voor trajecten naar accesspoints, naar een tweede verdeelpunt en naar plekken waar je niet nog eens wil breken, leggen wij Cat6A.
Meten jullie ook of er genoeg PoE doorheen kan?
Ja. Naast de datawaarden meten we de weerstand van de aders en de balans tussen de paren. Een link kan prima 1 Gbit/s halen en toch te weinig marge hebben voor PoE type 3 of 4, bijvoorbeeld door een matig afgemonteerde ader. Dat merk je anders pas als een camera in de winter zijn verwarming aanzet en gaat herstarten.
Krijg ik een rapport dat ik kan doorgeven aan een huurder of verzekeraar?
Ja. Je krijgt het complete meetbestand met per aansluiting de waarden en de uitslag, plus een leesbare samenvatting. Dat is documentatie die je bij oplevering, verhuur of overdracht kunt overleggen zonder dat er een technicus bij hoeft uit te leggen wat er staat.
Wat kost het certificeren van bekabeling?
Certificeren begint bij € 299 exclusief btw, inclusief het meetrapport. Daarboven telt vooral het aantal aansluitingen mee, want de meting gaat per punt. Verder maakt het uit hoe bereikbaar de wandcontactdozen zijn, of de patchkast te herleiden is en of er buiten kantoortijd gewerkt moet worden omdat het pand door moet draaien. Certificeren van glasvezel is apart werk met een ander instrument en telt los mee.