Handboek databekabeling: van eerste tekening tot opgeleverd netwerk
Databekabeling aanleggen is geen kabel trekken en klaar. Het is een volgorde: eerst bepalen wat er komt, dan de routes, dan de kabel, dan afmonteren, meten en vastleggen. Dit handboek loopt die stappen langs, met de grenzen en getallen die er echt toe doen.
De zes stappen
1. Uitzoeken wat er komt
Werkplekken, accesspoints, camera’s, schermen, kassa’s, deuren. Niet het aantal vierkante meters bepaalt de bekabeling, maar wat er straks aan hangt.
2. De kast kiezen
Eén plek waar alles samenkomt, koel en bereikbaar. Bij een groot pand meerdere kasten, omdat de lengte van een kabel begrensd is.
3. Routes bepalen
Waar de kabels lopen bepaalt wat er later nog kan. Denk aan goten, plafonds en de sleuf naar een ander gebouw.
4. Kabel kiezen
Categorie voor de snelheid, brandklasse omdat het gebouw dat vraagt, en dikte omdat er stroom overheen gaat.
5. Afmonteren
Op keystones en patchpanelen, in een vast kleurschema, aan beide kanten gelabeld.
6. Meten en vastleggen
Elke lijn doorgemeten, een rapport erbij en een tekening die klopt met de werkelijkheid.
Hoe lang mag een netwerkkabel zijn?
Dit is de grens waar het vaakst op wordt misgerekend. Het hele traject van switch tot apparaat mag maximaal honderd meter zijn. Daarvan is negentig meter voor de vaste bekabeling in muur, goot of plafond, de permanent link. De overige tien meter is voor de patchkabels aan beide uiteinden samen.
Zit je erboven, dan zet je halverwege een extra kast met een switch neer, of je gaat met glasvezel naar het volgende punt en stapt daar weer over op koper. Op een terrein met losse gebouwen is dat bijna altijd het antwoord.
Welke categorie kabel kies je?
Voor een gewone werkplek is Cat6 ruim voldoende. Wil je 10 gigabit over koper, dan wordt de afstand belangrijk: bij het ontwerp van 10GBASE-T (IEEE 802.3an) was het doel voor Cat6 een afstand van 55 tot 100 meter, afhankelijk van de kabel en de omgeving. Cat6a is gemaakt om die snelheid over langere afstand vast te houden.
De vuistregel die wij aanhouden: de apparatuur vervang je over een jaar of vijf, de kabel ligt er twintig jaar. Kies dus niet wat vandaag genoeg is. Meer over de soorten en wat er op de mantel staat, lees je bij soorten UTP-kabel.
Welke brandklasse moet de kabel hebben?
Een netwerkkabel is een bouwproduct, en dus geldt er een brandklasse. Welke klasse nodig is, hangt af van het gebouw en niet van je voorkeur. Hoe je dat bepaalt staat bij CPR en NEN 8012.
Hoeveel stroom kun je over de kabel sturen?
Steeds meer apparatuur krijgt zijn stroom over de netwerkkabel. Wat er kan, hangt af van de PoE-standaard. Bij 802.3af levert de switch 15,4 watt per poort, waarvan 13 watt aankomt. Bij 802.3at is dat 30 en 25,5 watt. De nieuwere 802.3bt kent 60 watt met 51 watt aan het apparaat, en 90 watt met 71,3 watt. Het verschil verdwijnt onderweg in de kabel.
Let daarbij op het totaal. Een switch heeft een PoE-budget voor alle poorten samen, en dat raakt eerder op dan je denkt zodra er camera’s aan hangen die ’s nachts hun infrarood aanzetten.
Afmonteren: kies één kleurschema
Voor de volgorde van de aders bestaan twee schema’s, T568A en T568B. Het enige verschil is de plek van twee paren. Voor de snelheid maakt het niets uit. Wat wel uitmaakt is dat je in het hele pand hetzelfde schema aanhoudt, aan beide kanten van elke kabel.
Meten is het bewijs
Een kabel die het lijkt te doen, is niet hetzelfde als een kabel die voldoet. Met een permanent-linkmeting per aansluiting zie je of de lijn haalt wat hij moet halen. Dat rapport is ook je bewijs bij oplevering en je startpunt bij een latere storing. Meer daarover bij meten en certificeren.
Vastleggen alsof je er zelf niet meer bent
Label de wandcontactdoos, de poort en de lijst met hetzelfde nummer, en zorg dat er een tekening ligt die klopt. Dat is het verschil tussen een storing van tien minuten en een storing van een dagdeel.
Wat we in de praktijk het vaakst zien misgaan
Te weinig punten. Een extra aansluiting kost tijdens de aanleg bijna niets. Achteraf kost hij een monteur, een gat en een schilder.
De kast op een slechte plek. In een warme, volle meterkast of helemaal in een hoek van het pand. Daar loop je tegen de lengtegrens en tegen de warmte aan.
Bekabelen na het stucwerk. Dan is de keuze weg, en wordt het hakken of een goot. Zie de verbouwing waar de kabels erin lagen voordat de stukadoor kwam.
Niet meten en niet labelen. Het valt pas op bij de eerste storing, en dan betaal je het alsnog.
Vragen over databekabeling
Hoe lang mag een netwerkkabel zijn?
Het hele traject van switch tot apparaat maximaal honderd meter: negentig meter vaste bekabeling en samen tien meter patchkabel. Langer los je op met een tussenkast of met glasvezel.
Welke kabel kies ik voor een nieuw pand?
Voor werkplekken voldoet Cat6 ruim. Wil je 10 gigabit over langere afstanden, dan kies je Cat6a. De brandklasse volgt uit het gebouw, niet uit je voorkeur.
Wat is een permanent link?
Het vaste deel van het traject: van de patchkast tot de wandcontactdoos, zonder de patchkabels. Dat deel mag maximaal negentig meter zijn en dat is ook het deel dat je doormeet.
T568A of T568B?
Allebei goed, als je maar één schema in het hele pand gebruikt. In Nederland zie je T568B het meest.
Kunnen jullie ook alleen adviseren of meten?
Ja. We meten bestaande bekabeling door en leveren een rapport per aansluiting op, ook als de uitkomst is dat je weinig hoeft te doen.